De aanleiding: een terechte waarschuwing
De cao Jeugdzorg is een standaard-cao. Daar mag niet van worden afgeweken, niet ten nadele en niet ten gunste van de werknemer, en ook niet in overleg met de ondernemingsraad. Het dienstverband is in artikel 6.1 vastgelegd in uren per week, en daarmee is de week ook de maat voor uren-inzet en werktoedeling. Een jaarurensystematiek staat er niet in. Dan mag hij dus niet.
Toch gebeurt het. Vaak omdat de bedrijfsvoering is afgestemd op jaardeclarabiliteit en de jaarrekening, terwijl het rooster per week loopt. Het gevolg laat zich raden: medewerkers die in het vierde kwartaal te horen krijgen dat ze over het jaar genomen te weinig declarabel zijn geweest en dat moeten inhalen. Dat de gemiste uren wel degelijk gewerkt zijn (aan scholing, reflectie, inwerken, stagebegeleiding, overleg, reistijd, administratie) verdwijnt in die rekensom. De kritiek van de vakbonden daarop is stevig, en wat ons betreft terecht.
En toch klopt er iets niet aan de conclusie die er vaak uit getrokken wordt: dat jaaruren het probleem zijn.
De kern: drie dingen die op één hoop liggen
In vrijwel elk gesprek over dit onderwerp lopen drie kwesties door elkaar. Ze hebben verschillende oorzaken en verschillende oplossingen.
- De referteperiode. Week of jaar. Dit is rekenwerk. Ook met een weekcontract komt niemand op een exact aantal uren uit: een nachtdienst van zondag op maandag valt in twee weken, en onregelmatige zorg laat zich niet in gelijke blokken knippen. Er ontstaat dus hoe dan ook een saldo. Alleen de horizon verschilt.
- Wie het risico draagt van niet-declarabele uren. Hier zit de werkelijke onenigheid. Een no-show maakt een gewerkt uur geen niet-gewerkt uur. Dit is een vraag over bedrijfsvoering en over contracten met gemeenten, en je kunt hem net zo goed op weekbasis afwentelen. Een jaarurensystematiek maakt het alleen zichtbaarder, doordat de rekening pas in het vierde kwartaal komt.
- Zeggenschap over je eigen werktijden. Wie bepaalt wannéér de flexibiliteit wordt ingezet. Dit was bij de onderhandelingen het punt waarop het voorstel sneuvelde: onvoldoende uitgewerkt, onvoldoende gegarandeerd. Het gaat over spelregels rond het saldo, niet over de vraag of je in uren per jaar of per week rekent.
De praktische conclusie: alleen de eerste kwestie gaat over jaaruren. De tweede en derde blijven onopgelost als je de jaarurensystematiek verbiedt, en zijn oplosbaar als je hem toestaat met waarborgen.
Vaak verward: flexibiliteit is niet hetzelfde als extra uren
Een medewerker in een drukke periode fors meer laten werken is een werkafspraak, geen rekenmethode. De cao regelt dat al apart, en sinds 2026 strakker dan daarvoor. Overwerk is werken boven de wekelijkse contracturen in opdracht van de werkgever, en het uitgangspunt is dat dit incidenteel is. Vraagt de werkgever om meer dan 10% per week extra, dan kan dat alleen als de werknemer ermee akkoord gaat. Is het structureel, dan gaan werkgever en werknemer in gesprek over aanpassing van de arbeidsduur of komt er een vacature.
Voor de compensatie geldt: zo snel mogelijk en in elk geval binnen vijf maanden in tijd, en als dat niet lukt op verzoek van de werknemer uitbetaald, tot en met schaal 10 met 25% toeslag, en meetellend voor vakantiegeld, eindejaarsuitkering en pensioengrondslag. Die verruiming geldt vanaf 1 juli 2026.
Met andere woorden: de hefboom waarmee je iemand kunt overvragen zit in het overwerkartikel, en die is inmiddels zwaarder gemaakt. Niet in de vraag of je per week of per jaar rekent.
Wat er verandert: vier afspraken met een datum
In het cao-akkoord van 19 maart 2026 staan naast loon en overwerk ook uitwerkafspraken. Vier daarvan raken de planning direct.
- Verduidelijking werktijden, jaarurensystematiek en plus-min-uren. Cao-partijen maken hier vóór 1 januari 2027 een uitwerking voor. Dit is het antwoord op de discussie zoals die nu gevoerd wordt: niet een verbod, maar spelregels.
- Uniforme berekening van de duur van een feestdag. Eveneens vóór 1 januari 2027. Nu rekent iedere organisatie zelf; straks ligt vast hoeveel uur een feestdag telt. Dat is precies de knop waar elke jaarnorm-berekening op draait.
- Vier feestdagen per jaar flexibel ruilen. Het aantal te ruilen feestdagen gaat naar vier per jaar, minimaal vier weken van tevoren aangevraagd. Voor roosters in een 24-uursvoorziening scheelt dat merkbaar in de puzzel.
- Een nalevingscommissie. Werkgevers en vakbonden met een onafhankelijke derde, die bij verschil van inzicht over de toepassing van de cao een zwaarwegend advies geeft. Uitvoering die niet klopt, wordt dus makkelijker aan te kaarten.
Wat je nu al kunt doen: vijf dingen die niet op de uitwerking hoeven te wachten
Wat de uitwerking ook wordt: de bezwaren die nu op tafel liggen gaan over uitvoering. Die kun je vandaag al wegnemen.
- Laat de medewerker zijn eigen saldo zien. Wie zijn stand niet kan inzien, gelooft hem niet. Bijna elk conflict over uren begint met een saldo dat pas in december zichtbaar wordt, op het moment dat bijsturen niet meer kan.
- Tel alle gewerkte uren mee. Scholing, reflectie, inwerken, teamoverleg, overdracht, reistijd, administratie: het zijn gewerkte uren en ze horen in het saldo. Laat ze niet stilzwijgend buiten de telling vallen.
- Plan de vaste bezetting vooruit. In een woongroep ligt de bezetting grotendeels vast, dus is het saldo goed vooruit te plannen. Zet verlof en vrije dagen vroeg in het rooster, dan bouwt niemand ongemerkt een groot plus- of minsaldo op.
- Kijk niet pas in het vierde kwartaal. Een verschil van veertig uur is in september nog met roosteren op te lossen. In december rest alleen uitbetalen of kwijtschelden, en een gesprek dat niemand wil voeren.
- Praat ook over plusuren. In de praktijk gaan deze gesprekken vrijwel altijd over minuren. Een systematiek die maar één kant op werkt, verliest zijn geloofwaardigheid, en daarmee het draagvlak dat je straks nodig hebt.
Vier van de vijf punten zijn administratie en transparantie, geen rekenkunde. Het probleem is zelden de referteperiode. Het is een saldo dat niemand kan zien.
Tot slot: waar wij staan
Wij bouwen planning, geen cao’s. Maar we zien in vier jeugdzorgorganisaties hetzelfde patroon: het werk is onregelmatig, dus er ontstaat een saldo, of je het nu jaaruren noemt of plus-min-uren. Zolang dat saldo in een losse spreadsheet leeft die niet elke ziekmelding, verlofaanvraag en roosterwijziging meekrijgt, schuift de teller stilletjes en barst de discussie in december los. Precies daar ontstaat het wantrouwen waar de vakbonden over schrijven.
Zelf werken we vooral in de woonbegeleiding. Daar speelt de discussie over declarabele uren nauwelijks: een woongroep is bezet, en het gaat niet om afrekenbare uren maar om een rooster dat rond is en een saldo dat klopt. De analyse hierboven beschrijft vooral het bredere debat in de ambulante jeugdzorg; in de woonbegeleiding is de vraag concreter: bouwt niemand ongemerkt een groot plus- of minsaldo op, en kan de medewerker zijn eigen stand zien?
Onze inzet is dan ook niet dat jaaruren moeten. Het is dat het saldo klopt, meebeweegt met het rooster, en zichtbaar is voor de medewerker zelf. Wat de cao-partijen ook afspreken vóór 1 januari 2027: dat is de voorwaarde waaronder het werkt.